Ik jank me een ongeluk?


leestijd: ongeveer 4 minuten

Hoewel het me toch overviel – de enorme hoeveelheid tranen toen ik hoorde dat ‘mijn’ allerliefste kater plotseling (en traumatisch en pijnlijk voor hem) is overleden op 3 augustus jl., – realiseerde ik me tegelijkertijd ook, dat ik zoveel beter rouwen kan, dan vroeger. En hoe paradoxaal het ook klinkt; hoe makkelijker ik kan huilen, hoe beter ik lief kan hebben. In die volgorde. Ja, in die volgorde. Lees het nog maar eens.

Kapot van verdriet en doorschijnend van ellende

Is zoiets dan met elkaar verbonden? Nou en of. Verlies en hechting horen bij elkaar. Ook al ga je kapot van verdriet en ben je half doorschijnend van ellende: hoe beter je je durft te hechten en hoe dieper de liefde haar sporen in je hart achterlaat en hoe meer je je verlorenheid durft toe te laten als je die liefde dan verliest…hoe heler je wordt. Want heling ontstaat vanzelf, door je kapot-zijn juist er te laten zijn. Die natuurlijke beweging moeten we niet belemmeren. Dat is het hele idee.

Resa was zoek

Het ene verdriet tikt het andere als een dominosteen aan, en zo moest ik van de week ineens ook weer denken aan onze kat Resa. Het was 1978 en onze mooie Siamees was weg. Paniek, verdriet en hoop wisselden zich af. Na – in mijn herinnering – een week (?) kwam een klasgenootje bij ons aanbellen. Of onze kat zoek was, hij had zoiets vernomen. Hij durfde het bijna niet te zeggen, maar hij had ‘een kat’ zien liggen bij het viaduct, die verdacht veel leek op de beschrijving van onze prachtige, krachtige Resa. Ik liet er geen gras over groeien, beende in hoog tempo naar de plek des onheils. Alleen. 11 jaar was ik, een verlegen bangig vogeltje én tegelijkertijd kordaat en mans als het er op aankwam.

Het was waar. Oh, lieve hemel. Het was waar.

Dibah miauwde vraagtekens

Onder mijn arm nam ik dode Resa mee naar huis, legde hem in onze garage en meteen pakte ik Dibah op. Dat was mijn eerste beweging: zijn kleine zusje, die al een week zoekend door het huis liep, helpen ‘duiden’ dat haar smartelijk speuren kon stoppen omdat we een antwoord hadden op onze gezamenlijke vraag. Ik zette haar zachtjes neer op de werkbank van mijn vader, waar Resa lag, en aanschouwde haar gedrag helder door mijn eigen van-binnen-biggels heen. Dibah duwde met haar pootje op het harde, koude lijfje van Resa. Ze miauwde vraagtekens. Nog een pootje, dan? Een snufje, misschien? Een lief, voorzichtig duwtje? ‘Toe dan, Resa, toe’. Maar ja. Na 20 minuten was het klaar. Want daar was haar antwoord. Ik zat er bij. Keek er naar. En het enige wat ik deed – zoals we dat tegenwoordig noemen – was ‘holding space’. Op deze herfstige namiddag van 1978, in de koude, grijze garage van de Bûtenwacht 69 in Drachten stond ik daar met mijn ene levende, en mijn andere dode kat te leren van het leven.

Oefeningen in onaangedaan zijn

Met mijn vader maakte ik een gat in de grond, in onze tuin. Er werd door hem aandacht besteed aan mijn verdriet. Resa kreeg, een beetje links van het midden in onze achtertuin, een eigen plekje. Als ik me niet vergis lag er ook al een cavia ergens, en een lief klein konijntje. Ik timmerde een klein kruisje en samen legden we het kistje er in. De gebeurtenis staat nog zo helder in mijn geheugen gegrift; ik weet zelfs nog welke kleren ik aan had. Ik weet dat mijn vader er expliciet een tafereel van maakte zodat ik de waarde van leven en dood leerde kennen door zijn ogen. Maar ik was emotioneel niet bij machte zijn liefdevolle gebaar openlijk te hanteren. Kon niet anders dan mijzelf het bos insturen, kokhalzend van ellende door het inslikken van mijn tranen, het fabeltje stevig onder mijn arm geklemd dat ik stoer en sterk was. Want een sterk-en-niet-huilend-en-gewoon-maar-doorgaan-meisje wilde ik zijn. Ik oefende in onaangedaan zijn, voor de spiegel. Repeteerde hardop wat ik zou zeggen op school, als ze zouden vragen of het ‘inderdaad’ Resa was geweest, daar op de dijk. Alles, echt alles was beter dan laten zien dat ik verscheurd van verdriet was dat mijn kat dood was.

Met lege handen durven staan

Het heeft me jaren gekost om goed te leren huilen. Eerst brak de dijk een paar keer door tijdens een klassiek concert (oh lieve A., weet je nog?), daarna bij een documentaire van een moeder die haar kind verloor en weer jaren later na het verliezen van mijn grote liefde. Maar echt diep durven rouwen, onverbiddelijk en onbeschroomd mijn tranen de vrije loop laten leerde ik pas in de afgelopen 10 jaar. En wat heeft puur lichaamswerk daar toch veel aan bijgedragen. Want ervaren wat gevoeld wil worden, in veilig contact met een ander mens is de effectiefste weg naar duurzaam herstel. Ik jank me tegenwoordig een geluk. Durf met lege handen te staan. Wat een winst, is dat.

We hebben getuigen nodig

En daarom doe ik wat ik doe. Met overgave en bezieling anderen begeleiden naar dit soort helende ervaringen, zodat je vrijer wordt. Weet dat je de weg weer vrij kunt maken, we allemaal een getuige nodig hebben die ons aanschouwt, draagt. Wees welkom in de wetenschap dat er niets ‘gefixt’ hoeft te worden omdat je niet ‘broken’ bent. Maar dat we ons eigen gereedschap in onze val vinden waarmee we autonomer worden in het dragen van onszelf. Niet als onbewoond eilandje, of als zonderlinge kluizenaar maar als mens voelend wanneer iets zelfstandig gedragen kan worden, maar die ook weet heeft van durven uitreiken om hulp. Omdat we au fond inter-afhankelijk zijn.

Kijk eens bij de workshop ‘Traumasporen‘, of dat iets voor je is. Hoe heb jij pijn leren verduren, sjouwen of verstouwen? Hoe beter je dat van jezelf weet, hoe beter je de ander daarmee weer kunt begeleiden. Om aanwezig te kunnen zijn bij een verhaal over lijden van een ander zonder het contact met jezelf te verliezen, is het zo belangrijk te kunnen voelen dat je zélf ook geraakt kunt worden/wordt. Je bent behalve professional, ook ‘maar gewoon ook een mens’. Je bent welkom.

Dag lieve Snow, rust zacht in de kattenhemel. Geef je mijn liefs ook aan Resa?